Hoe veilig is Limburg als het water van 2021 nu terugkeert?

In de week van 13 juli is het precies vijf jaar geleden dat extreme neerslag Limburg veranderde in een rampgebied. De beelden van kolkende, buiten hun oevers tredende zijrivieren zoals de Geul, de Gulp en de Roer staan bij veel mensen nog scherp op het netvlies. Tijd om even stil te staan bij dat moment en ons de vraag te stellen: Stel dat exact dezelfde hoeveelheid water nu weer valt, hoe goed zijn we dan beschermd? En met welk risico nemen we uiteindelijk genoegen?
Tijd is een belangrijke factor bi j de hoogwaterbescherming. Een bui zoals in 2021 kan ook nu weer vallen. En dan zou het fijn zijn als het beschermingsniveau hoger is dan toen. De realiteit is dat grote infrastructurele ingrepen (zoals binnen het programma WRL) in Nederland een gemiddelde doorlooptijd hebben van circa 15 jaar. Dat komt door zorgvuldige procedures, wetgeving en participatie.
Grote fysieke projecten bevinden zich vijf jaar na dato logischerwijs dus nog in de planfase. Juist daarom is er de afgelopen vijf jaar vol ingezet op directe maatregelen, natuurlijke oplossingen en crisisparaatheid die direct effect hebben. Het idee dat elk probleem puur met technische, infrastructurele maatregelen kan worden opgelost, volstaat niet meer. We hebben de grenzen van de maakbaarheid van onze leefomgeving bereikt. We gaan van het puur 'beheersen' van water naar 'leven met water'.
Bewustzijn en zelfredzaamheid versterken
Volledige bescherming tegen extreme, mondiale klimaatgebeurtenissen is niet realistisch. Waterveiligheid is daarom een gedeelde verantwoordelijkheid. De hele samenleving is aan zet. Dus niet alleen metershoge dijken, maar ook inzetten op slagkracht en zelfredzaamheid.
Samen met gemeenten en de provincie investeren we in betere bewustwording rondom hoogwater. Het waterschap heeft gedetailleerde overstromingskaarten ontwikkeld waarmee inwoners zelf direct kunnen zien waar de risicovolle plekken in hun eigen buurt liggen.
Inwoners en ondernemers worden gestimuleerd en gefaciliteerd om hun eigen panden en directe leefomgeving beter te beschermen. Concrete publiekscampagnes zoals Waterklaar helpen Limburgers om hun eigen omgeving structureel klimaatrobuuster in te richten.
Aan de andere kant zijn er internationale samenwerkingsverbanden (Flood Wisdom, FlashFloodBreaker en EM Flood Resilience) om de kennis van de gevolgen van wateroverlast te vergroten. Deze kennis wordt onder meer gebruikt om toekomstige bouwprojecten en infrastructurele werken waterbestendiger te realiseren.
Wateroverlast en -veiligheid leidend in ruimtelijke keuzes
Om te voorkomen dat de gevolgen van wateroverlast in de toekomst nog groter worden, zijn de risico's voor overstromingen vanaf nu leidend bij ruimtelijke keuzes. Schade voorkomen aan de voorkant is immers effectiever dan achteraf repareren. Daarvoor hebben we bijvoorbeeld de onderlegger water en bodem: een gezamenlijk document van het waterschap en de provincie dat bewoners, ontwikkelaars en overheden helpt om betere, harde keuzes te maken over waar het wel en vooral waar het niet meer verstandig is om te bouwen.
Daarnaast adviseert het waterschap proactief bij bouwplannen waar een mogelijk risico op wateroverlast bestaat. Daar waar sprake is van een reëel risico, geeft het waterschap nu een negatief advies af om te bouwen.
Stroomgebiedgericht en natuurlijker beschermen
Water stopt niet bij gemeentegrenzen. Waterveiligheid en wateroverlast worden daarom stroomgebiedgericht benaderd, waarbij over grenzen heen wordt samengewerkt en de natuurlijke waterdynamiek leidend is.
Uitgebreide analyses na het hoogwater van 2021 tonen aan dat het Limburgse landschap destijds onbewust al enorme hoeveelheden water heeft vastgehouden, waardoor dat niet direct is afgestroomd. Samen met landeigenaren en natuurbeheerders wordt nu concreet gekeken waar water nóg beter kan worden opgevangen en de afstroming kan worden vertraagd. Dit gebeurt zowel via (een natuurlijke) inrichting van de beekdalen als met gerichte maatregelen op de hellingen, waardoor de impact van extreme neerslag benedenstrooms structureel wordt verkleind.
Wateroverlast risicogestuurd aanpakken
Klimaatverandering laat ons wereldwijd zien dat niet alles meer overal en altijd kan. Omdat niet elke overstroming dezelfde (economische of persoonlijke) gevolgen heeft en ook niet elke unieke overstromingssituatie te voorkomen is, verschuift de focus definitief naar een risicogestuurde aanpak. Dit betekent dat er bewust wordt gekozen welk niveau van bescherming haalbaar is en welke risico's we als samenleving accepteren.
Dit betekent dat er specifiek wordt geïnvesteerd in sterke waterkeringen en een toekomstbestendig watersysteem op de plekken waar het écht mis kan gaan en de maatschappelijke impact het grootste is.
Via het programma Water in Balans (WIB), het hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP) en specifieke beekherstelprojecten worden lokale overlastknelpunten continu getoetst en aangepakt om beken en rivieren stap voor stap weerbaarder te maken tegen extreme weersomstandigheden. Waar mogelijk trekt het waterschap hierin gezamenlijk op met andere overheden. Sinds de wateroverlast van 2021 is meer dan 50 miljoen euro besteed aan projecten om wateroverlast te verminderen, zoals de aanleg van waterbuffers. De komende jaren is hiervoor nog eens 110 miljoen beschikbaar.

Crisisbeheersing en schadeherstel organiseren
Mocht het water ondanks alle preventieve maatregelen toch weer extreem stijgen, dan staat de operationele crisisorganisatie van het waterschap nu sneller en slagvaardiger paraat.
- Het waterschap opereert met sterk verbeterde digitale hoogwatermodellen. Via het Water Management Centrum is er 24/7 bewaking van de realtime data.
- Alle acties die bij hoogwater gedaan worden, staan in draaiboeken. Die draaiboeken zijn aangescherpt en de acties die er instaan, worden geoefend.
- Door een veel intensievere en snellere data-uitwisseling met Duitse en Waalse waterbeheerders wordt hoogwater in de grensvalleien van de Geul, Gulp en Roer nu veel sneller en scherper gesignaleerd dan in 2021.
- Er is extra geïnvesteerd in direct inzetbare, fysieke crisismaterieel. Denk aan zware mobiele pompen en tijdelijke mobiele keringen (ruim zes kilometer) om vitale infrastructuur en cruciale locaties bij acute dreiging onmiddellijk te kunnen beschermen.

